Charlie Chaplin - Oh! That Cello
 
Vanaf 1986 trad Beckmann versterkt in het openbaar op. Hij ondernam een tournee onder de naam "Oh! That Cello", waarin hij klassieke sonates met kleine klassieke werken en stukken van Charlie Chaplin kombineerde. Daaraan voorafgegaan was het uitkomen van de cd, waarop miniaturen voor de cello van Chaplin voor het eerst uitgebracht werden.
 
"Oh! That Cello"
"Thomas Beckmann - Charlie Chaplin"

We kunnen erop wachten, op een dag zullen de films van Charlie Chaplin wel weer in de bioscoop te zien zijn. En degene die niet te laat komt, kan in de vooraftiteling lezen dat de geniale filmkomediant in ieder geval in een punt overeen komt met Richard Wagner: Ook hij komponeerde de muziek voor zijn kunststukken zelf.

Slechts de toegwijde Fan-clubleden van Chaplin is het nochtans bekend dat de meester (zo doet zijn de informatie geloven) vóór zijn doorbraak in de film serieuze ambities had, als concertsolist met de cello en de viool op te treden.

Hij stamde uit een muziekfamilie (zijn moeder was soubrette, zijn vader zanger in Londense muziekhallen). In een van de eenvoudigste wijken van Londen opgroeiend, verdiende Chaplin zijn eerste geld op de variëtépodia van de Londense 'muziekhallen'. Daar imiteerde hij als kind de broze stem van zijn moeder, wat voor hem applaus en voor zijn moeder het einde van haar carrière betekende. De vader, aan alcohol verslaafd, kon niet noemenswaardig aan de geringe inkomsten van de moeder, die zich en de kinderen met naaiopdrachten boven water hield, bijdragen. Zo leed de hele familie af en toe honger.
Kort na de verhuizing naar het armenhuis werd de moeder in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. De nu volledig op zichzelf aangewezen jongen sloeg zich als krantenverkoper en boodschappenjongen door de moeilijke situatie heen, tot hij na meermaals navragen bij "Blackmores Podiumagentschap" als uit heldere hemel een jongensrol aangeboden kreeg. Dit moet het keerpunt in het leven van de nu nog maar 12-jarige Chaplin geweest zijn. Hij was dat, wat hij altijd had willen worden: Toneelspeler.

Zijn talent bewees zich zeer snel, en na jaren hier en daar te hebben geacteerd werd hij ster in Fred Karno's toneelgroep. Van komiekkollega Stan Laurel weten we dat hij toen met zijn cello op reis geweest is. Het was zeer veeleisend, de investities aanzienlijk: Bij jarenlang onderricht werden de dagelijkse oefeningen nauwgezet doorgevoerd - minimaal vier uur lang, en zes uur was geen uitzondering.

Met de in de Vaudeville-aktes te bewonderen gave, alle mogelijke problemen compromisloos uit de wereld te helpen, liet de linkshandige cello en viool ombouwen. Zijn spel van de andere kant vereiste het toen al prijzige openmaken van het instrument voor het verstellen van de basbalken en de stemstok, en talrijke verdere veranderingen. Zo bleef de komiek een succes als strijkende virtuoos uit, en het ging hem daarbij niet anders als de uitvinder van de relativiteitstheorie Albert Einstein, wiens vraag na zijn vioolspel door de cello-virtuoos Gregor Piatigorsky met de sibyllinische uitdrukking "relatief goed" beantwoord werd.

Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden, al in 1916, nog voor zijn filmsucces, een muziekuitgeverij te stichten, die door hem gekomponeerde titel "Oh! That Cello" te drukken en de in een slapstickachtige manier gedreven zaak na uitgave van nog twee titels weer de sluiten.
Chaplin's originele verklaring: "Bert Clark, een excellente pianist, heeft mij overgehaald tot het partnership in deze muziekonderneming. We huurden een ruimte, drukten 2000 kopieën en wachtten op klanten. Het ondernemen eindigde tamelijk treurig. Ik geloof dat we drie kopieën hebben verkocht, een aan de amerikaanse komponist Charles Cadman, en twee aan voetgangers, die op weg naar beneden langs ons buro kwamen."

De later beginnende filmsuccessen boden de allroundgenie echter gelegenheid, zijn cellistische en kompositorische talenten uit te buiten. Hij speelde de arrangeurs zijn melodieën voor, die deze dan naar eigen goeddunken bewerkten.

De bij Bremer label JARO verschenen cd 'Charlie Chaplin - Oh! That cello' zet deze kant van Charlie Chaplin's strijkersambitie voor het eerst in de schijnwerpers. Op deze cd worden de drie in 1916 verschenen stukken en een keuze uit latere, deels wereldberoemde, filmmuziektitels dusdanig ingespeeld, dat ze als de oorspronkelijke registratie van Chaplin geklonken moeten hebben: met cello en pianobegeleiding. Te horen zijn o.a. "Limelight" , een improvisatie van "Coffee and cakes", "Bonjour Madame", stukken die opmerkelijk met de cellosonates van Richard Strauss overeenkomen, maar ook meerdere niet verschenen stukken, waarvan de handgeschreven noten door wereldwijde recherches bijelkaargevoegd werden. Een bijzonder probleem leverde het stuk "Oh! That Cello", waarvan het bestaan bij de muziekexperten van de erfgemeenschap van Charlie Chaplin niet bekend was en waarvan de originele uitgave zich in het Chaplin-archief van Wilhelm Staudinger in Frankfurt bevindt. Nadat het Chaplin-beheer een uitlevering van de plaat eerst verboden had, werden de schijven later door tussenkomst van Lady Oona Chaplin, die zeer enthousiast over de opname was, vrijgegeven. De muziek ontketende een onverwachte eigendynamiek en klom in korte tijd op tot de meest succesvolle celloplaat in de BRD en wird met de "Preis der deutschen Schallplattenkritik" onderscheiden.

Ein Een tweede volume "Thomas Beckmann - Charlie Chaplin" met Kayoko Matsushita op de piano verscheen drie jaren later, een opname, met - voor velen misschien verrassende- vaak smachtende, melancholieke melodieën van ontroerende eenvoud (Spring song!), die van de ballast van het Hollywood orkest bevrijd zijn. Het is opmerkelijk dat door Chaplin een eerste poging in deze richting ondernomen werd, en hij uitte zich als volgt: " Ik heb geprobeerd, elegante en romantische muziek te komponeren, om mijn komedies een omraming te geven, die in contrast stond met het karakter van de Tramps. Elegante muziek gaf mijn komedies een emotionele dimensie. De muziekarrangeure begrepen dat zelden. Ze wilden grappige muziek hebben. Maar ik heb hen uitgelegd, dat ik geen concurrentie wenste, dat de muziek een contrapunt van lieftalligheid en charme moest zijn, dat ze gevoel moest uitdrukken, omdat zonder deze, zoals Hazlitt zei, een kunstwerk onvolledig blijft. Soms wilde een musicus met mij uitgebreid over de verminderde intervallen van de chromatische of diatonische toonladders discussiëren, maar ik onderbrak hem dan als een leek: "Wat de muziek dan ook uitdrukt, de rest is slechts begeleiding."


Opname gedurende de tournee van "Oh! That Cello"